Anton Heyboer®

Anton Heyboer

 

Leven als kunst
kunst als leven

Anton Heyboer

 

Prothese 1986

Prothese, nummer 42,1986. Door Alice Mielart.

Ik ben een menselijke puinhoop

 We hebben hier een hond die epileptisch is, een politiehond waarvan we allemaal veel houden. Maar er zit een gevaar in die hond. En Joke zegt ook altijd: ondanks alles, Ton, zit er een gevaar in jou. Dus er zit in mij, laten we zeggen, een groter gevaar dan in een normaal mens. Dat is goed, want anders zou die liefde mij in een eenzijdigheid hebben gebracht, maar omdat ik die hele andere boel die normaal tot complexen leidt onder controle heb, schuilt er een gevaar in mij. Juist vanwege die controle. Dat gaat dus heel ver. Je moet niet iemand dood maken, denk ik dan, want dat is niet zo best. Van dat soort idioterie. Ik dacht dat als je zoveel liefde leeft, dat je dan dat gevaar in je ingekapseld krijgt te liggen en dat dwingt ook bij de meisjes wel respect af voor mij. In het dagelijks leven is veel meer agressie toegelaten, waardoor een normaal mens in wezen minder gevaarlijk is. Begrijp je dat? Goed he?

 De Boerenschuur met aanpalende grond die Anton Heyboer (62) in het begin van de zestiger jaren in het Noord-Hollandse polderdorpje Den Ilp huurde, is nu aan het oog onttrokken door de vele tractoren en wit geschilderde uitgeruimde passagiersbussen die hij in de loop der tijd op zijn erf heeft gestald. De bus van de lijndienst Landsmeer-Purmerend stopt pal voor het wooncomplex waar de etser nu al vele jaren met vier vrouwen leeft. In volgorde van binnenkomst: Maria, Lotti, Marike en Joke.

Tezamen drijven de vrouwen de handel in etsen, waarvoor regelmatig op de advertentiepagina’s van de Telegraaf reclame wordt gemaakt. Een wimpel van enigszins verkleurde en gerafelde vlaggetjes en verschillende kartonnen bordjes wijzen de weg aan de potentiële kunstkoper. Omdat Heyboer ontevreden was over de handelwijze van de hem vertegenwoordigende galerie Espace te Amsterdam, besloot hij voortaan zonder tussenkomst zijn etsen te verkopen. Zijn breuk met de officiële kunsthandel betekent dat zijn werk voor absurd lage prijzen te koop is: tussen de 250 en 400 gulden.

‘Ik ben er niet uit idealistische gronden toe gekomen, maar gewoon omdat ik niks meer verkocht. Ze hadden de prijzen van mijn werk zo hoog opgeschroefd dat ik in Nederland was uitverkocht. Het was onbetaalbaar. Toen zei die die galerie: nu moet je nooit meer wat verkopen en steuntrekker worden, zodat de mensen die wat gekocht hebben er een belegging aan hebben. Ik dacht toen: daar ben ik nog een beetje te jong voor... Nu word ik door de kunst-incrowd inclusief de museumdirecteuren geboycot op een vrij grove manier, maar de gewone mensen, de huismoeders en alles, die hebben me met open armen ontvangen en zijn ontroerd blij. Die zeggen: wij kunnen met moeite 250 gulden missen, maar we kunnen nu meedoen. Als we nu iets horen of zien over kunst, dan hebben we ook iets van wat dan heet, een echte. Het maakt ze vreselijk blij en het woord belegging valt nooit meer. Die hele sfeer is weg’.

In de loop der jaren heeft Anton Heyboer vele etsplaten gemaakt waarop hij door middel van ‘zijn’ systeem van lijnen, getallen en schematische poppetjes zijn gemoedstoestand en die van zijn vrouwen van dag tot dag vastlegde. De etsplaten liggen nu opgeslagen bij Gerlach en wanneer het nodig is betrekken de vrouwen, die zich naast de verkoop ook bezig houden met de druk, platen uit dit depot. Heyboer krijgt slechts af en toe een stapeltje toegeschoven om dat van zijn handtekening te voorzien.

Kinderspel

‘Die hele etsenhandel speelt zich voor af, met die meisjes, die dus helemaal zelfstandig functioneren. Ik weet niet eens wat ze verdienen. Goudeerlijk. Het interesseert me ook geen fluit. Ik zeg: jongens jullie hebben mij als het ware, zoals dat heel vroeger ging, dan had je een salon die een artiest onderhield… nou, ik heb een pracht salon met vier mooie meiden en die houden mij dus in stand. Ik zit hier achter en kom daar helemaal niet. Ik zie hen ook weinig, al ga ik wel eens een half uurtje met ze babbelen. Al die huizen zijn niet meer mijn terrein. Ik heb hier achter lekker weer een hok met dus allemaal totaal miskend werk. Op die manier kan ik lekker vasthouden van hoe het oorspronkelijk is. Alles wat begint, of het nu Herman Brood is of Nina Hagen, is geweldig goed en dan, op de een of andere manier, sluipt er wat in… je krijgt er een soort overcompensatie in en die accepteer ik niet. Daarom vind ik het artiestenleven ook vreselijk moeilijk. Om dus miskend te blijven. Dus als ze nu bijvoorbeeld die grote schilderijen van mij gaan kopen, dan moet ik het met zwart gaan doen, want ik wil nu dat wat ik verder nog maak… daarvan wil ik niet dat het erkend wordt’.

‘Ik ben weer heerlijk de mislukkeling die ik ook in Berlijn was. Die ik was en die ik hoor te zijn. De ware artiest. Ik voel dus wel degelijk een humor in me en ook wel een beetje alsof ik de wereld een loer draai. Ik heb wel iets in me dat je narcistisch zou kunnen noemen: ik heb mijn persoonlijkheid overgeschakeld in vier vrouwen en zelf ben ik weer die klungel geworden, die echt… die weer helemaal echt is. Die dus… Ja, ik kan zo lekker knoeien, hè?’

Met een innemende lacherigheid vertelt Heyboer hoe hij nu werkt aan zijn schilderijen. ‘Het is zo leuk. Ik loop er met blote voeten over, en maak er dansjes op terwijl ik onderwijl zo doe’. Hij maakt een vrolijk wapperend gebaar met zijn armen. ‘En als we het heel groot doen dan neem ik twee meisjes en dan voer ik die dans voor hen op. Eén meisje, Marike, is net een tiener die roept dan: Oh, malle Ton! en dat vind ik heel leuk. Ik zwaai dan nog eens met de tubes. Aan de overkant heb ik nog een huisje, en daar is een heel groot betonnen terrein, dat ik dan helemaal vol leg met papier… Het heeft in ieder geval niks te maken met het serieuze kunstenaarschap. En toch… soms ben ik één dag bezeten van de piëta, de Maria en de Christus en dan denk ik: morgen fijn alles volkliederen met piëta… want ik wil ook altijd veel. Niet goed, maar veel. In mijn achterhoofd is het zo: zorgen voor hen vieren en als je nu een ding maakt, dan moet dat heel duur zijn. Als je er nu tien maakt, dan kan het veel goedkoper zijn. Als ik dus flink... gatverdamme, denk ik, ik heb er pas tien, het schiet niet op vandaag. Ik maak wel tien schilderijen op een dag, dat moet wel, want anders vind ik het een saaie dag. En op andere dagen ben ik weer helemaal bezeten van de tussenhersenen. Dan denk ik: heel Nederland denkt in links en rechts, maar er is daar ook nog iets tussen in…’ ‘Zo ben ik begonnen en zo ben ik weer. Bij mij is de cirkel rond. Dus als er iemand komt die dat mooi vindt, dan denk ik: alsjeblieft niet. Wat is dat nu voor vreemde tik, he?!’

Zen

In een op twee stoelen en de achterbank na lege bus, die naast de zelf getimmerde hokken staat, vindt het interview plaats. Anton Heyboer is dik gekleed tegen de koude die door het stilzitten langzaam diep in de botten doordringt. Op een zwart leren motorjack en zijn bruine werkmansschoenen na is hij geheel in het wit. Een vuil witte broek en trui en een smoezelig witte hoed, waarvan hij de rand aan de voorkant opklapt tot het model van een zuidwester. Tijdens het gesprek schuift hij de hoed steeds verder achterop zijn hoofd, zodat meer en meer van zijn grijze piekhaar zichtbaar wordt. De heldere blauwe ogen met de vernauwde pupillen kijken beurtelings in de verte of strak in mijn gelaat. Zijn houding straalt een rust af sterk doet denken aan een gemoedstoestand waarin de wijze man, zoals hij in de spreuken van de ‘I Tjing’ wordt beschreven, die zich heeft losgemaakt van de wereld, verkeert. Af en toe komt een van de vrouwen een kijkje nemen of alles wel goed gaat. Op het eind van het gesprek brengt Joke, die het nauwst met Heyboer leeft, glazen schaaltjes met stukjes banaan, peer en kiwi en grote witte schalen thee met honing. Een drank waarvan hij twee tot drie liter per dag drinkt.

‘Niet veel nodig. Kijk, ik heb een geest… een beetje Zen. Dus: niet eten is voor mij fantastisch. Daarom zie ik de dingen ook altijd een beetje wazig. Een van de meisjes bakt brood, dus helemaal goed tarwe, en dan heb ik nog kaas en eieren en echt water uit Spa, en meer eet ik nooit. Ja, soms een beetje kroepoek. Dat is een systeem in mij... een beetje Oosters. Als je goed hebt gegeten dan ben je voor mij helemaal naar de knoppen. Dan kan je volgens mij niet meer denken, niet meer de dingen op een rijtje krijgen, dan heb je het contact met het universum verloren. Ik ben kerngezond... Met een beetje drugs dus. Opiaat. Dat neem ik vier keer op een dag, al 35 jaar. Ik heb het medisch gekregen omdat ik gewoon afwijkingen kreeg... hartafwijkingen, zoveel afwijkingen dat ze dachten: laten we maar iets aan die man zijn geest doen. Dat ging toen goed functioneren. Het is al van direct na de oorlog, en sindsdien ben ik altijd in zo’n beetje, zoals je me nu ziet, half-lacherige, blijde sfeer. En dan het laatste beetje, of beetje, ik neem toch wel een aardige dosis, die neem ik dan ‘s nachts om twaalf uur. Daar blijf ik altijd voor wakker. Dat is de leukste dosis, want dan is het allemaal prachtig donker, dan is het allemaal zo schitterend voor mij’.

‘Maar ja, 35 jaar drugs… ik heb ook helemaal niks normaals meer, lichamelijk. Ik heb geen normale bloeddruk meer. Ik ben niet meer medisch te controleren. Mijn onderdruk is 40 en mijn overdruk 80, terwijl de standaard is: 80 - 120. Maar volgens de dokter is het allemaal goed. Het is dus een geheel geworden. Behalve wanneer ik met normale mensen omga, even, als ik bijvoorbeeld een paar dagen een werkman om me heen heb, dan moet hij weg, want dan begint het kapot gaan weer van binnen, dan word ik knettergek. Knettergek!’

‘Joke zegt ik ben een regenerator. Zo is het. Dat was ook mijn ontslag papier uit het gekkenhuis (Heyboer heeft zich in 1951 een paar maanden vrijwillig in het provinciaal ziekenhuis Santpoort laten opnemen; AM), daarin stond dat ik verder een regenererend leven zou leiden. Dat is helemaal niet mis, hoor. Ik bedoel, dan moet je dus… terwijl het gewone leven langzaam de rivier af drijft naar de zee moet ik als een soort, zalm is misschien een te mooi woord, maar toch wel als een soort stekelbaars tegen de stroom alsmaar in. Daardoor kan ik bestaan’.

Met zichtbaar plezier vertelt Heyboer de anekdote over een onderzoek in de VU dat hij in de zeventiger jaren moest ondergaan. ‘Ze maakten toen een foto van mijn hoofd. Ik hoorde een heleboel gepraat van professoren, dus ik dacht: een heleboel gezien zeker. Ik had destijds hier iets opgezet. Met die klier is het goed, zeiden ze, maar er is iets anders … op het twaalfde jaar gaan de haarvaten in de botten dicht, want dan begint de aderverkalking en nu hebben we een foto, ik was toen 54, van uw hoofd en u bent nauwelijks drie maanden. En nou, zo leef ik dan. Ik kan dus met niemand omgaan, want naarmate ik met hem omga, ga ik me aanpassen en voer ik mijn eigen druk op… Als die ander weg is, dan laat ik dat los en dan vloeit het weer overal in, in al mijn botjes en mijn dingetjes. Ik heb ook een vreemde huid over mijn hele lichaam. Alsof ik net vijf jaar ben. Leuk. Dat is allemaal leuk. Dat hoort allemaal waardoor dit kan en waardoor dit verhaal dat ik je doe ook een soort, je zou zeggen, diepere, mysterieuze achtergrond heeft, waardoor je het niet normaal kan doorgronden. Ze hebben eens een Boeddha opengesneden en die had zo’n hart’. Heyboer geeft met beide handen de omvang van een gemiddelde borstkas aan. ‘Maar bij mij is ook nog alles helemaal gewoon. En over die leeftijd, over dat jong… ik ben vreselijk jong. Ik hou van allemaal hutjes te timmeren en van romantische zoldertjes maken. Ik ben nog een lekkere jonge bink’.

Lekker

De vrouwen leiden een heel ander leven dan Heyboer, tenminste Maria, Lotti en Marike. ‘Die drie meisjes die geciviliseerd zijn, die eten dus ook wel eens lekker en die drinken ‘s avonds een wijntje en Maria een cognacje. Ze zijn iets heel anders dan ik, maar ze vinden het wel fijn om mij op het land te hebben zitten als… misschien wel een oude Chinees, maar toch als een potentiële kracht’. ‘Maar lekker, het idee westers lekker, dat vind ik walgelijk. Je weet wel: zo’n keuken waarin ze vlees braden en iemand zegt: hmm, wat lekker. Dat vind ik dan heel vies. Zo erg is het geworden. Ik denk dan: die maken hondenvoer. Zo ontzettend wordt dat. Nou, en dan is het met seks hetzelfde, om eens die zwaai daarnaar toe te maken. Dat is hetzelfde lekker. Dat gaat dan door voor heel lekker, maar ja, dat vind ik ook een enorme flauwekul. Kijk, met die vier meisjes kan ik geen seks meer doen, want dat is dan incest. We hebben elkaar zo gehersenspoeld dat we familie van elkaar zijn geworden. Als ik met de meisjes nog seks zou willen doen dan moet ik iets van ze maken. Dan moet ik van… Marike, dat zie ik dan ineens, die is uiterst geschikt om daar mijn moeder van te maken en ik dan als baby die moeder wel zal pakken. Dat wordt dan een rollenspel, want omdat je een eenheid bent, is er geen seksuele spanning meer’.

Enige tijd geleden zei Heyboer in een interview dat hij fysiek een man is, maar psychisch een vrouw. Wat bedoelde hij daarmee?
‘Nou kijk, ik kan mezelf herkennen in… ja, misschien persoonlijk, maar zoals jij nu kijkt, daarin kan ik mezelf herkennen. Als een man kijkt, herken ik me niet. Dan ben ik zeker wat anders, denk ik dan. En ook: het leven voor een man is zo makkelijk, in West-Europa of zo. Afschuwelijk. Ik kan er niks aan doen, het zal wel aan mij liggen. Maar in het oude China zou ik dat niet hebben… Dat macho, ik vind het zo’n onzin. Maar ik vind wel dat ik mijn leven zeer mannelijk geleefd heb. Ik heb mijn capaciteit, mijn hele fysieke arbeid, want ik heb dit ook allemaal zelf getimmerd, en ook mijn hele creativiteit ingezet om voor vier vrouwen een soort van paradijs te scheppen, om het zo maar eens te noemen. In een romantische sfeer… Dus als ik op mijn leven terugkijk, vind ik dat ik een zeer mannelijk leven heb geleid en als ik dood ga laat ik dus vier vrouwen achter met een soort bewustzijn dat ze toch wel met een fijn iemand geweest zijn. Dat geeft mij de rust dat ik daaraan voldaan heb en nu ben ik weer vrij, weer lief en klein en knoeierig. Maar om mezelf goed wakker te houden heb ik wel herders en ik heb er ook altijd twee om me heen. Die kijken naar me en testen me, want ze zijn alleen maar rustig wanneer ze mijn autoriteit voelen. Ik heb dus mijn autoriteit van de meisjes afgehaald en verlegd naar die honden. En als vrouw… Het orgasme van een man... Kijk, ik heb natuurlijk ook wel eens geëxperimenteerd en me door een vrouw… je zou kunnen zeggen dat ik dan het orgasme onderging als een vrouw. Dat het me werd aangedaan. Toen dacht ik: ik moet daar niet verslingerd aan raken, want het is veel erger dan een man. Het is veel dieper psychisch ingrijpend. Ik kan me dus zover in een vrouw verplaatsen, dat ik het dan ook echt ervaar en het niet pak, maar gepakt wordt. Als noodhulp kan je daar je psyche mee laten breken als man, maar je kan het niet gaan leven. Tenminste dat gold zo voor mij. Voor een vrouw is het veel kosmischer, het is erg… erger. Het is bij de man maar zo’n stukje waar hij psychisch dooreengewoeld wordt en die vrouw wordt als totaliteit genomen... dat is eigenlijk een pracht ervaring. Het waren voor mij veel diepere ervaringen dan als ik als man tot orgasme kwam. Ook omdat ik als man zo idioot was dat ik alsmaar dat meisje veel genoegen wilde brengen en ik zat dan ook nog met dat ouderwetse coïtus interruptus, want ik wilde ook weer niet dat ze de pil hadden en ik wilde ook niet aan de condooms of aan een medische ingreep. Dus dat was bij mij al vele jaren terug dat ik zei: jongens, ik krijg er een punthoofd van. Heel in het begin heeft Lotti wel eens de pil genomen, maar na een dag of twee, drie dacht ik: Lotti, je ziet er niet uit. Ik zeg: wat wij aan het doen zijn met elkaar, dus dat psychisch omvormen tot een eenheid, dat gaat niet meer. Ik kon haar niet meer bereiken, ze was een ander station. Toen dacht ik: Jezus, de hele wereld is aan het fout gaan op de pil, want er is natuurlijk geen man die de vrouwen kan bereiken, want het is allemaal geblokkeerd. Ik heb toen gedacht: laat ik me nu maar bij mijn eigen stekkie houden en dat is dus het zuiver houden van onze gemeenschap en, nou ja, toen was er geen pil en geen spiraaltje… en we wilden het ook niet een keer doen met interruptus en dan drie weken zitten wachten van èn ben je al, is het al zover? Wat klinkt dat allemaal koud, hè? Vind je het niet lekker gezond klinken, wel? Zo kwamen we 15 jaar geleden tot de ontwikkeling dat je het dan niet moet doen. Maar ja, dan krijg je natuurlijk wel een idee van de wereld, dan zie je dus dat mensen dat door blijven doen en dan kan je niet meer met ze praten. Want de essentie is weg. Stel nu: er komt een gezin en de vrouw eet altijd de pil en zij willen weten hoe die man met die vier vrouwen leeft. Dat kan toch niet? Dat kan mekaar niet eens meer begrijpen’.

‘Ja, ik heb kinderen van vroeger, uit vorige huwelijken. Van hen, bedoel je? Nee, alsjeblieft niet. Want het leuke van deze hersenspoeling is dat we allemaal kinderen zijn. We zijn elkaars kinderen en we houden met elkaar rekening alsof de ander ook nog een kind is. En die geest is zo spiritueel geworden dat een kind veel te oud voor ons is. Vroeger kwamen hier wel kindjes langs en dat ging als ze nog maar net konden lopen, en als ze op een fietsje konden rijden, waren ze al ouder dan ik… dan stonden ze al in de maatschappij met alle problemen en dan was het al een klein mannetje en ik was eigenlijk het jongere speelkameraadje van hem bij die hij langskwam’.

Na een korte rondleiding door de vele aan elkaar getimmerde schuurtjes, het zien van de talloze honden en katten, de kippen en de vijf geiten, en het erf met daarop de vele auto’s in alle soorten en maten, zitten we binnen bij de warme kachel in de woon- en slaapruimte die Heyboer samen met Joke deelt. De twee honden daar reageren fel op de binnenkomst. Naast de fauteuil waarop Heyboer gaat zitten ligt een stapel in plastic verpakte exemplaren van ‘Het Systeem van Anton Heyboer’. Het blijkt dat hij iedere dag in een exemplaar daarvan zijn gedachten van die ochtend op papier zet. Hij pakt zijn bril en leest voor.’ Er is niets meer te zeggen. De setting van het fascisme was zo overweldigend definitief dat daarna niets meer te zeggen is waar enige definitiviteit in is. De zegging is geheel de reactie op het fascisme geworden. Bewustzijn is nagenoeg niet meer nodig, want je draait gewoon het fascisme om. Het omkeren van het allerergste is absoluut nodig. Het betekent wel tegelijk het einde van de wereld want er is geen cultuur meer mogelijk. Cultuur is geen reactie. Cultuur is bewustzijn op zichzelf. Cultuur is individuele privacy. Cultuur vindt zijn oorsprong in China, daar leefden zoveel mensen dicht op elkaar dat er een privacy geschapen moest worden in het abstracte. In het concrete was geen privacy mogelijk, daar waren er teveel mensen. Zo is God ontstaan of althans de godenwereld. Voor liefde en verliefdheid waren er ook teveel mensen. Er ontstond… dat verzin ik allemaal, hoor… Er ontstonden wetten waarlangs men leefde. Een van die wetten was dat het huwelijk op redelijke basis meer waarde had dan op emotionele basis. Dat is wat wij in Den Ilp gedaan hebben. De vrouwen lieten hun emotionele bindingen met de man waarmee ze waren los om op basis van cultuurwetten met mij als het ware de oudheid te doen herleven. Links en rechts om ons heen vallen de relaties uit elkaar omdat ze emotioneel gegrond waren. Wij bleven rotsvast overeind omdat onze basis anders is’. Ook deze boeken met handschrift zijn bedoeld om het bestaan van de vier vrouwen te verzekeren. Maar niet alleen in materieel opzicht. ‘Ik heb me de laatste twintig jaar opgesteld als een beetje meester… een beetje Zenmeester, alleen niet dogmatisch, door iedereen iedere dag voor te houden wat ze in hun gedrag verkeerd doen en waardoor ze dan zelf in de benauwdheid raken. Dat is eigenlijk mijn enige functie geweest’.

Het systeem

Tijdens en na zijn verblijf in Santpoort ontwierp Heyboer ’zijn’ systeem. Een manier om de wereld in tekens samen te vatten. Tekens die hij in zijn etsen gebruikte. In ‘Het Systeem van Anton Heyboer’ is de neerslag van zijn bevindingen opgetekend, in Locher’s ‘Anton Heyboer’ wordt een psychologische verklaring van het systeem gegeven. Een verklaring waarmee Heyboer het overigens niet eens is, want hij vindt dat Locher zijn leven en werk veel te veel in de psychopathologische sfeer heeft getrokken. Maakt Heyboer nog steeds gebruik van zijn systeem? ‘Ik ben het ontgroeid door de vier meisjes. Het systeem heb ik ontworpen toen ik alleen was en het is voor een psyche… voor je eentje is het wel fijn. Een van de laatste punten daarin was het schuldgevoel en… met de meisjes… met elkaar… Nu sla ik het vaak uit. De eerste helft is allemaal precies zo gebleven. Leuke paradox. Hij pakt een nieuw exemplaar van ‘Het Systeem van Anton Heyboer’ en tekent daarin al pratend zijn nieuwe systeem. ‘Vader, moeder, wezen... omgekeerd evenredig: vader is relativiteit, moeder is de Maria en hier is het lijdensvermogen… hier het mannelijk mogelijke en het vrouwelijk mogelijke, schuldgevoel, wijsheid, verleiding… Nou, schuldgevoel. Ik dacht: nu ben ik zo gegaan en ik heb schulden gemaakt, omdat ieder meisje erbij eigenlijk een schuld erbij is’. Hij schetst vier ruiten achter elkaar. ‘Dit ben ik zelf en dat zijn we allemaal met elkaar. En vroeger stond die man altijd recht overeind, dus zo’n poppetje had ik staan. Tegenwoordig ligt die man… ik heb wel gezegd: na Hiroshima is er geen man meer over omdat de man heeft geleerd zichzelf in te houden en niet meer agressief op te treden, dus: hij is ook mens geworden. Behalve dan de artiest… En dan denk je: vier meisjes, waarom? Dat is heel leuk. Dat staat in de Koran: vier mag je er hebben, mits je ze allemaal gelijke liefde kan geven, voor de vijfde moet je betalen’. ‘Ik kan het beste eindigen door te zeggen dat het enige spannende is: vrouwen samenvoegen. Vrouwen die dan echt van elkaar gaan houden, tot in alle eeuwigheid. Dus niet zo van en dan over vijf jaar weer wat anders, nee, tot over de grenzen van de dood. Die dan ook echt hun leven geven voor elkaar. Dus een verbond waar het helemaal niet meer een rol speelt of die vrouw verder nog leuk is of dat ze zich ontwikkelt tot een kreng, dat mag, want je valt het toch niet af. Want ze is ingesloten in het geheel’.

Oorlogssyndroom

Tijdens het interview vertelt Heyboer dat hij als dwangarbeider in nazi-Duitsland als door een mirakel aan de dood was ontsnapt. Midden in een theoretische uiteenzetting over de onvrijheid van seksuele vrijheid zegt hij opeens: ‘ik was maar een van de drie overlevenden van honderden en het gebouw stortte in toen ik er toevallig niet bij was. Alles was dood... en ja, nu leef ik al, al die jaren door en altijd met op de achtergrond dat moment. Ik was dwangarbeider en moest vaak zo’n kelder in, maar op de een of andere manier was ik niet in die kelder gegaan. Alles wat ik kende was dood, de bewaking, alles, dus ik ben toen gelijk gevlucht, want ik was ook niet meer geregistreerd. Zo’n moment blijft altijd bij je en… het leven is voor mij dus een gift. Een enorme gift. Dat was een prachtige ervaring, waardoor ik natuurlijk ook zo geworden ben…’

Twee dagen later belt hij om te verklaren dat hij zich beslist geen oorlogsslachtoffer voelt in de gebruikelijke zin. ‘Ik zat dus in een SS-Lager en de gevangenen onderling gedroegen zich zo mies en goor dat je een soort waardering kreeg voor de correctheid waarmee de Duitsers rond liepen… ja, zij hadden natuurlijk makkelijk praten, want zij waren vrij, maar het was allemaal veel schoner. Dat gevangen zijn was zo vuil en ook de emotionele wereld van de gevangenen onderling was zo mies, dat ik dus achteraf wel kan zeggen dat ik zwaar beschadigd ben… en sympathie heb voor de mof. Kom daar maar eens uit. Als je in een chaos terecht bent gekomen van gevoelens, een chaos waarin van de mensen een onderbewustzijn bovenkomt waardoor je denkt: verrek, zo’n mens staat wel dicht bij het criminele… als je daarin moet leven als gevoelsmens… dan is kilheid en koudheid, want ik had ook vreselijk kille en koude bewakers, dan is dat niet eens erg. Kijk, in die barakken liepen de wandluizen over je heen, dus dat is allemaal rot, maar dan heb je ook nog mensen om je heen… bijvoorbeeld Hollanders die je niet eens goedendag zeggen. Er groeit dan een soort afscheiding van de mens in je. En er komt een soort sympathie in je voor de bewaker die nog met een fris gemoed binnenkomt, omdat hij waarschijnlijk… gewoon ‘s avonds thuis is geweest. Die brengt dan nog een heldere menselijkheid mee, terwijl dat in zo’n kamp helemaal verworden is. Die verwording is wat me het heftigst heeft aangegrepen. Dat ik dus dacht: nu zit je met een aantal slachtoffers bij elkaar en wat ontstaat dan? De grootste afkeer. Het bleek voor mij dat de mens vreselijk weinig karakter heeft, dat hij geen stijl overeind kan houden. Dat is de reden waardoor ik mijn leven zoveel stijl gegeven heb. Ik ken mezelf zoveel stijl toe dat ik niet een… stukje kalfsvlees ga zitten eten. Ik denk dan: dat is zwak en het maakt zwak.

Daags daarop belt Heyboer om te zeggen dat zijn kampervaring nauw aansluit bij zijn ervaring in Santpoort. ‘Wat ik zeggen wilde: als je dus zoveel trauma’s krijgt, dan staan je dus de miezerige dingen voor de geest in plaats van de politieke dingen. Die zijn toch veel te groot om te omvatten. Ik bedoel: als iemand in dat uniform je een trap geeft, dan krijg je na enige jaren toch wel het gevoel dat dat zo hoort. Maar dat de mensen die allemaal een trap kregen, onder elkaar raar doen, daarvan krijg je het gevoel dat dat niet zo hoort’.

‘Toen ik in Santpoort zat, was ik ook niet door de psychiater te benaderen, omdat… hij dacht op een gegeven moment: laten we hem maar elektroshocken, want die komt niet van zijn idiote ideeën af… ik heb dat toen op mijn manier ook weer in Santpoort opgelost. Godzijdank was ik niet opgepakt, maar had ik mezelf aangegeven, dus ik kon er ook weer uit. De psychiatrie functioneert niet… als je ter dood veroordeeld was, moest je denken: alle moffen zijn verschrikkelijk. Dat is dan je complex. Maar als je veroordeeld bent en je zegt: die andere mensen in die cel waren net wandluizen en die Duitsers onderling, dat kwam me toch wel fris voor, nou ja, dan denken ze: je moet zo’n man maar afschrijven. Dan is daar geen handvat meer aan. Dat is dan een kop zonder handvat…’.

‘Aan die psychiatrie ben ik dan ontglipt. Ik heb dus niet de normale reactie. Ik heb wel eens mensen gesproken die sukkelden aan het oorlogssyndroom en dan zei ik tegen hen: je moet ook veel hekken en gaas en prikkeldraad in je kamer doen en je moet niet denken: ik ben vrij en ik ga in een mooi pak rondlopen. Dan krijg je het erger. Het is ook nog niet zo lang geleden dat de meisjes mij in een bed kregen. Tot voor enige jaren heb ik altijd gewoon met kleren aan op een luik gelegen, glimlachend en blij. Ik was altijd blij’.

‘Later, toen ik in het gekkenhuis kwam, was dat ook weer zo erg. Die Hollanders onder elkaar in de recreatiezaal, dat was om te huilen. Daardoor heb ik ook al die tijd in de cel gezeten. Dag en nacht. Dat vond ik prettiger dan met die mensen. Maar als je nu gewoon een zaal in het ziekenhuis neemt, dan is daar ook die intense armoede... enfin, in de trein en in het verkeer, allemaal diezelfde armoede. Daardoor is dacht ik toch wel een angst in me… ik wil nooit iets met mensen te maken hoeven hebben. Mensen bij elkaar. Dus wel met één mens. Dat vind ik dus van dit land het grote nadeel, in Indonesië, waar ik geboren ben… als je daar honderd mensen bij elkaar doet dan krijg je een veel serenere toestand dan als je honderd Hollanders bij mekaar zet. Zo ben ik dus eigenlijk totaal van de westerse mentaliteit af gegroeid, doordat ik die vreselijke culturele armoe heb ingezien en waardoor ik dus zo terecht gekomen ben… wat mede de oorzaak ervan is dat hier met vier meisjes een andere cultuur heerst waardoor we met het Westen niks te maken hebben’.

Gelukkig maken

Al tijdens het interview benadrukte Heyboer telkenmale dat het hem niet te doen is om druk op de vrouwen uit te oefenen. Hij wil hen juist van druk vrijmaken en daardoor gelukkig maken. Plots zei hij tegen mij: ‘ik ga nu iets heel raars zeggen, maar ik zie dat ik jou gelukkig zou kunnen maken’. In de daaropvolgende dagen keerde dit thema regelmatig terug in telefoongesprekken. Met al zijn charme bood hij mij zelfs bezoeken aan Den Ilp als een mogelijkheid tot, zoals hij het noemde, escape aan. Toen hij begreep dat het interview geschreven zou worden en ik daarvoor gekozen had, nam hij in grote stijl afscheid. ‘s Avonds belde echter Joke. Het aanbod van een taxirit naar Den Ilp was voorbij. ‘Je hebt Ton echt gezien, maar nu sta je weer op jezelf. Je hebt gekozen voor het interview en daarmee voor het leven dat je leeft. Daardoor heb je een hele grote waarde laten vallen. Ton is weer verschwunden voor je. Je bent weer een vrij meisje’. Een uur later ging opnieuw de telefoon. Nu verklaarde Joke dat hiermee het interview ‘klaar’ is en dat de komst van een fotograaf daarmee overbodig is geworden.